Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AD8174

Datum uitspraak2002-03-08
Datum gepubliceerd2002-03-08
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC00/143HR
Statusgepubliceerd


Conclusie anoniem

Rolnr. C00/143HR Mr L. Strikwerda Zt. 21 dec. 2001 conclusie inzake 1. [Eiseres 1] 2. [Eiser 2] tegen Stichting Portaal Woonstichting Edelhoogachtbaar College, 1. Het tijdig ingestelde cassatieberoep berust op vier middelen. 2. De in middel I geformuleerde klachten falen. Anders dan het middel meent, stond het de Woonstichting vrij haar vordering tegen [eiser 2] in te trekken. De Woonstichting behoefde daartoe niet incidenteel hoger beroep in te stellen. Evenmin was voor intrekking van de vordering de toestemming van de wederpartij nodig (vgl. HR 18 februari 1994, NJ 1994, 604 nt. HER). De stelling dat intrekking van de vordering er zonder meer toe moet leiden dat de Woonstichting in de proceskosten van [eiser 2] wordt veroordeeld, is onjuist. De Rechtbank heeft kennelijk geoordeeld dat [eiser 2] door zijn houding aanleiding tot de vordering heeft gegeven. Uitgaande van dit oordeel, dat een toereikende motivering vindt in r.o. 12 van het eindvonnis, heeft de Rechtbank [eiser 2] terecht aangemerkt als in het ongelijk gestelde partij (vgl. HR 23 maart 1979, NJ 1980, 126 nt. WHH). Niet onbegrijpelijk is dat de Rechtbank het betoog van [eiser 2] dat hij "zijn huurrechten en gebruiksrechten aan [betrokkene A] en [eiseres 1] ontleent" als niet onderbouwd heeft verworpen. Waar vaststaat dat de huurovereenkomst was gesloten met [betrokkene B] en [eiseres 1], kan die stelling zonder nadere toelichting niet leiden tot de conclusie dat [eiser 2] als huurder moet worden aangemerkt. Dat de Rechtbank de bij akte van 21 oktober 1999 door [eiser 2] aangevoerde stelling dat hij "dient te worden aangemerkt als mede-firmant" niet heeft beschouwd als een serieuze onderbouwing van dat betoog, is evenmin onbegrijpelijk. Er was, anders dan het middel meent, geen reden voor de Rechtbank om bedoelde stelling als onweersproken aan te nemen: het spreekt voor zich dat de Woonstichting in de door haar (eerder) genomen akten van 9 september 1999 en 7 oktober 1999 niet is ingegaan op de bewuste stelling. 3. Ook middel II is tevergeefs voorgesteld. In de klachten geformuleerd onder 2.1 t/m 2.6 wordt miskend dat de Rechtbank, indien zij de grieven tegen het oordeel van de Kantonrechter dat [eiser] c.s. het gehuurde niet overeenkomstig de bestemming gebruikten gegrond had bevonden, ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep had moeten overgaan tot behandeling van de tweede door de Woonstichting aan haar vordering ten grondslag gelegde grondslag (verboden onderhuur). Het stond de Rechtbank dan ook vrij de grieven direct te verwerpen op de grond dat sprake was van verboden onderhuur. Zie H.E. Ras, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2e dr. bew. door A. Hammerstein, 2001, nr. 74-76. De onder 2.7 aangevoerde klacht is ongegrond. Zij verliest uit het oog dat de Woonstichting in de bedoelde passage in haar memorie van antwoord reageerde op de tweede grief van [eiser] c.s. die gericht was tegen het oordeel van de Kantonrechter met betrekking tot de eerste door de Woonstichting aan haar vordering meegegeven grondslag. Dat de Rechtbank daarin niet heeft gelezen dat de Woonstichting de tweede grondslag (verboden onderhuur) heeft prijsgegeven, is geenszins onbegrijpelijk. Uit het vorenstaande volgt dat (ook) de klacht dat de Rechtbank de grenzen van de rechtsstrijd zou hebben overschreden faalt. 4. Middel III faalt, omdat de uitleg die de Rechtbank heeft gegeven aan de afspraken die partijen hebben gemaakt ten tijde van het aangaan van de overeenkomst over de gelding van art. 6 van het huurreglement niet onbegrijpelijk is en ook niet getuigt van een onjuiste opvatting met betrekking tot de maatstaf die daarbij heeft te gelden (vgl. HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 nt. CJHB). Voor zover het middel (tevens) strekt ten betoge dat de stellingen van partijen geen aanleiding boden voor de door de Rechtbank gekozen uitleg, vindt dit betoog geen steun in de gedingstukken; de door de Rechtbank gekozen uitleg was verdedigd door de Woonstichting (zie bijv. haar mem. van antwoord onder 2.5). 5. Middel IV kan evenmin doel treffen. De door het middel bedoelde brief van 14 januari 1994 is door [eiser] c.s. in hoger beroep overgelegd ter adstructie van hun vijfde grief. Met deze grief betoogden zij dat art. 6 van het huurreglement in 1973 door partijen geheel buiten toepassing is verklaard. Dat de Rechtbank in de brief geen bevestiging heeft gelezen van de visie van [eiser] c.s. op de in 1973 door partijen gemaakte afspraken, is niet onbegrijpelijk: de Rechtbank heeft kennelijk aannemelijk geoordeeld de stelling van de Woonstichting (mem. van antwoord onder 3.3) dat in die brief niet meer mag worden gelezen dan dat de onderverhuur hoogstens enige tijd is gedoogd, maar niet dat partijen art. 6 van het huurregelement in 1973 geheel buiten toepassing hebben verklaard. Voor zover het middel wil betogen dat (uit de bewuste brief blijkt dat) partijen ná 1973 hebben afgesproken dat onderverhuur toegestaan zou zijn, is sprake van een feitelijk novum. Aangezien de aangevoerde klachten naar mijn mening niet tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, strekt de conclusie tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 101a RO. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,


Uitspraak

8 maart 2002 Eerste Kamer Nr. C00/143HR SB Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiseres 1], 2. [Eiser 2], beiden wonende te [woonplaats], EISERS tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n STICHTING PORTAAL WOONSTICHTING, voorheen de Woningstichting Nijmegen, gevestigd te Nijmegen, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: voorheen jhr. mr. J.L.R.A. Huydecoper, thans mr. M.A. Leijten. 1. Het geding in feitelijke instanties Verweerster in cassatie - verder te noemen: de Woningstichting - heeft bij exploit van 15 januari 1998 eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - op verkorte termijn gedagvaard voor de Kantonrechter te Nijmegen en gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: primair de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de onroerende zaak gelegen aan de [a-straat 1] te [woonplaats] te ontbinden met veroordeling van [eiser] c.s. tot ontruiming van het gehuurde en met machtiging aan de Woningstichting om de ontruiming te bewerkstelligen, eventueel met behulp van de sterke arm van politie en/of justitie, op kosten van [eiser] c.s.; uiterst subsidiair: de huurprijs van voormelde onroerende zaak nader vast te stellen met ingang van de datum van de dagvaarding, kosten rechtens. [Eiser] c.s. hebben de vorderingen bestreden. De Kantonrechter heeft na een tussenvonnis van 24 april 1998 bij eindvonnis van 9 oktober 1998 de primaire vordering toegewezen. Tegen dit eindvonnis hebben [eiser] c.s. hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Arnhem. Na een tussenvonnis van 9 september 1999 heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 16 december 1999 het door de Kantonrechter op 24 april 1998 tussen partijen gewezen tussenvonnis bekrachtigd, het eindvonnis van de Kantonrechter van 9 oktober 1998, behoudens de veroordeling in de kosten, vernietigd, en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen tegen eiser tot cassatie sub 2 alsnog afgewezen en het eindvonnis van de Kantonrechter voor het overige bekrachtigd. Beide vonnissen van de Rechtbank zijn aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen beide vonnissen van de Rechtbank hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Woningstichting heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Woningstichting mede door mr. F.A. Sievers, advocaat bij de Hoge Raad. De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep. De advocaat van [eiser] c.s. heeft bij brief, ter griffie ingekomen op 18 januari 2002, op die conclusie gereageerd. De Hoge Raad heeft deze brief terzijde gelegd, nu de brief niet is ingekomen binnen de termijn van twee weken nadat de conclusie ter rolle was genomen. 3. Beoordeling van de middelen De in het middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de woningstichting begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, als voorzitter D.H. Beukenhorst en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 8 maart 2002.